Gaudentius Diemel - Leidse jaren 1790-1818
🪟VENSTER 2 - EEN BUURGESCHIL
2.4 De kwestie van Bommel - van Dinter
2.4.1 Anthony van Bommel
Waarom Anthony Cornelis Martinus van Bommel de weduwe Van Dinter zo vaak bezocht, vermeldt de attestatie niet. Om die bezoeken beter te kunnen begrijpen, is het nodig eerst stil te staan bij de persoon over wie Gaudentius Diemel en Maria van den Boon hun verklaring aflegden. Misschien werpt zijn levensloop licht op de achtergrond van de attestatie.
Anthony Cornelis Martinus van Bommel was de zoon van de Leidse koopman Cornelis van Bommel en Johanna Cornelia Ruijgrok. Na het overlijden van zijn vader zette hij samen met zijn moeder het handelshuis Cornelis van Bommel en Zoon voort. Daarmee behoorde hij tot een welgestelde Leidse koopmansfamilie.
Vanaf 1797 veranderde zijn leven echter ingrijpend. Het handelshuis raakte in ernstige financiële problemen en Anthony werd eind 1797 onder curatele gesteld. Curatoren kregen het beheer over zijn persoon en goederen. In februari 1798 werd hij opgenomen in een verbeterhuis 'De Drie Taarlingen' te Delft. Een jaar na zijn ondercuratelestelling volgde de definitieve afwikkeling van zijn boedel. De gebeurtenissen trokken in Leiden
veel aandacht en werden zelfs in de plaatselijke krant vermeld.
Uit de boedelinventarisatie, die in 1797 werd opgemaakt, blijkt bovendien dat Anthony eigenaar was van de hofstede Oud Meerburg aan de Hoge Rijndijk onder het ambacht van Zoeterwoude. Daarmee wordt tevens duidelijk welke buitenplaats in de attestatie wordt bedoeld, wanneer Maria van den Boon en Gaudentius Diemel verklaren dat zij vermoedden dat Anthony 's morgens vandaar naar Leiden kwam.
De levensloop van Anthony Cornelis Martinus van Bommel maakt duidelijk in welke omstandigheden hij verkeerde toen de gebeurtenissen uit de attestatie zich afspeelden. Toch verklaart zijn achtergrond niet waarom hij de weduwe Van Dinter zo vaak bezocht. Voor een mogelijke verklaring moeten we daarom ook de geschiedenis bekijken van de vrouw die in de attestatie slechts één keer wordt genoemd: de weduwe Van Dinter.
2.4.2 weduwe van Dinter
Uit andere archiefstukken blijkt dat het bij de 'weduwe Van Dinter' gaat om Maria Theresia Coenen. Na het overlijden van haar echtgenoot Johannes Aloisius van Dinter bleef zij achter met haar minderjarige zoon Theodorus Wilhelmus, die ten tijde van de attestatie ongeveer zestien jaar oud was.
Op 22 november 1795 benoemde zij Anthony Cornelis Martinus van Bommel tot voogd over haar zoon.5 Daarmee staat vast dat beiden al enkele jaren vóór de attestatie met elkaar in contact stonden.
Ruim anderhalf jaar later, op 22 juli 1797, kocht Maria Theresia een woning aan de Hooigracht, no 46. Juist deze woning vormt het decor van de attestatie. Volgens de verklaring van Maria van den Boon en Gaudentius Diemel bezocht Anthony haar daar veelvuldig, soms zelfs twee- of driemaal per dag.
De voogdijverklaring en de attestatie vullen elkaar daarmee op een opmerkelijke manier aan. De benoeming tot voogd in 1795 verklaart op zichzelf niet waarom Anthony de weduwe enkele jaren later zo vaak bezocht, maar de benoeming maakt wel duidelijk dat er al vóór de attestatie (1802) een nauwer contact tussen beiden bestond. Daarbij is de tijdlijn van belang. Na zijn benoeming kon Anthony zijn rol als voogd aanvankelijk uitoefenen, maar gedurende een groot deel van 1797 en 1798 verbleef hij in Frankrijk of was hij gedetineerd. Na zijn vrijlating, begin 1799, kan hij het contact met zijn pupil en diens moeder weer hebben opgepakt. Het is daarom denkbaar dat zijn voogdijschap mede een rol speelde bij de frequente bezoeken die Gaudentius en Maria later beschreven. Of dit inderdaad zo was, en in hoeverre daarnaast andere redenen voor zijn bezoeken bestonden, laten de bronnen in het midden.
Diezelfde tijdlijn helpt ook om de waarnemingen van Gaudentius en Maria nader in de tijd te plaatsen. Begin 1797 vertrok Anthony naar Frankrijk. Na zijn verblijf in Parijs werd hij gevangengenomen, keerde onder bewaking terug naar de Bataafse Republiek en werd eind 1797 onder curatele gesteld. Vervolgens verbleef hij van februari 1798 tot begin 1799 in het verbeterhuis te Delft. Daardoor is het weinig waarschijnlijk dat de in de attestatie beschreven bezoeken in 1797 of 1798 hebben plaatsgevonden. Vermoedelijk dateren hun waarnemingen vooral uit de periode tussen Anthony's vrijlating begin 1799 en het opstellen van de attestatie op 4 januari 1802. Daarmee bestrijkt de verklaring waarschijnlijk een periode van ongeveer drie jaar.
Gaudentius was daarbij niet alleen een buurtbewoner die zag wat zich rond de woning aan de Hooigracht afspeelde. Tegelijkertijd laat zijn afzonderlijke verklaring zien dat hij ook beroepshalve contact had met de weduwe. Als kleermaker kwam hij immers bij haar over de vloer om kleding te vermaken. Het valt daarom niet uit te sluiten dat hij meer wist van de onderlinge verhouding tussen Anthony en Maria Theresia dan uit zijn verklaring blijkt. Welke kennis hij daadwerkelijk had, valt, uit wat we nu weten, echter niet op te maken.
Zoals de notaris de verklaring heeft vastgelegd, blijven Maria en Gaudentius dicht bij hun eigen waarnemingen en ervaringen. Of die terughoudendheid van henzelf kwam of mede het gevolg was van de wijze waarop de notaris de verklaring formuleerde, weten we niet. Wel maakt juist het onderscheid tussen wat zij zelf hadden waargenomen en wat slechts kon worden vermoed, hun verklaring historisch gezien waardevol.
- Erfgoed Leiden en Omstreken, Notarieel Archief Leiden, notaris J.P. Dozy, voogdijakte dd. 22 november 1795, toegang 0506, inv.nr. 2661, blad 334. [Bekijk online] ? terug